
En dan zit je thuis.
Niet omdat je dat zo gepland had. Niet omdat je eindelijk eens lekker vrij wilde zijn. En ook niet omdat er één duidelijk moment was waarop alles ineens instortte.
Het gebeurde geleidelijk.
Achteraf gezien waren de signalen er al veel langer. Ik was moe. Niet gewoon moe na een drukke dag, maar een vermoeidheid die niet meer echt wegging. Ik raakte steeds sneller overprikkeld, voelde voortdurend spanning in mijn lichaam en merkte dat zelfs kleine taken steeds meer moeite begonnen te kosten.
Toch bleef ik doorgaan.
Ik bleef werken, afspraken maken, verantwoordelijkheden dragen en proberen alles goed te doen. Ondertussen speelde zich in mijn hoofd vrijwel voortdurend een tweede leven af: de dagelijkse strijd met eten.
Een hoofd dat bijna nooit stilstaat
Onlangs kreeg ik de diagnose eetbuistoornis, in combinatie met dysthymie, officieel een persisterende depressieve stoornis. Hiervoor sta ik nu op de wachtlijst voor behandeling.
Die diagnoses verklaren niet ineens alles, maar ze geven wel woorden aan iets waar ik al jaren dagelijks mee bezig ben.
Eten is voor mij zelden alleen eten.
Vrijwel iedere keuze kan een discussie worden.
Heb ik honger?
Mag ik dit eten?
Is dit genoeg?
Is dit te veel?
Heb ik voldoende eiwitten binnengekregen?
Moet ik mijn bord leegeten?
Kan ik beter nu iets nemen, zodat ik er later niet meer aan denk?
Als ik dit laat liggen, is dat dan zonde?
Heb ik vandaag te weinig calorieën gegeten?
Kom ik weer aan?
Verlies ik spieren als ik niet genoeg eet?
Soms wil mijn hoofd verder eten terwijl mijn maag aangeeft dat het genoeg is. Op andere momenten zegt mijn lichaam weinig en probeer ik via regels, voedingsapps, calorieën en zoekopdrachten alsnog zekerheid te krijgen.
Dat voortdurende nadenken wordt ook wel food noise genoemd.
Bij mij kan die ruis de hele dag aanwezig zijn.
Vanaf het moment dat ik wakker word, kan ik al bezig zijn met wat ik ga ontbijten, wat ik later mag eten, of ik moet sporten, hoeveel zuivel of eiwitten ik nodig heb en wat ik moet doen als ik trek krijg.
Na een maaltijd is het niet automatisch klaar.
Dan begint soms juist de analyse.
Heb ik te veel gegeten?
Had ik eerder moeten stoppen?
Had ik juist meer moeten nemen?
Waarom heb ik dit gegeten?
Wat betekent dit voor de rest van de dag?
Daar gaat al jaren ontzettend veel mentale energie naartoe.
Energie die er van buitenaf misschien nog wel lijkt te zijn, maar die van binnen voortdurend wordt opgebruikt.
De strijd die bijna niemand ziet
Een eetbuistoornis betekent voor mij niet alleen dat ik soms te veel eet.
De grootste strijd vindt vaak al veel eerder plaats.
Het is de spanning vooraf.
Het voortdurend onderhandelen met mezelf.
Het maken van regels en het daarna weer overtreden van die regels.
Het schuldgevoel.
De angst om te weinig te eten en tegelijkertijd de angst om te veel te eten.
Het gevoel dat ik mijn lichaam goed wil verzorgen, maar niet meer weet welke keuze daarbij hoort.
Soms eet ik omdat ik honger heb.
Soms omdat ik bang ben later honger te krijgen.
Soms omdat iets anders blijft liggen.
Soms omdat mijn hoofd pas rustig denkt te worden wanneer het eten op is.
En soms eet ik door terwijl mijn lichaam allang aangeeft dat het niet meer prettig is.
Daarna volgt niet alleen lichamelijk ongemak. Door mijn gastric bypass kan te veel of te snel eten ook leiden tot misselijkheid, reflux, pijn, een vastloper of overgeven.
Toch voorkomt die wetenschap niet altijd dat het gebeurt.
Dat maakt het ingewikkeld en pijnlijk.
Ik weet soms rationeel heel goed wat een verstandigere keuze zou zijn, maar op zo’n moment is de drang, onrust of gedachte sterker.
Daarna veroordeel ik mezelf omdat ik het “weer verkeerd” heb gedaan.
Die cyclus kost enorm veel energie.
Ook de depressieve klachten waren er steeds
Naast de eetbuistoornis kreeg ik de diagnose dysthymie, ofwel een persisterende depressieve stoornis.
Dat is geen tijdelijke sombere periode die na een paar weken weer verdwijnt. Het gaat om depressieve klachten die langdurig aanwezig zijn.
Bij mij uit zich dat onder andere in vermoeidheid, weinig voldoening ervaren, emotionele vlakheid en het gevoel vaak op de automatische piloot te leven.
Zelfs belangrijke veranderingen of prestaties geven niet altijd het gevoel dat ik ervan verwachtte.
Ik ben veel afgevallen en heb mijn streefgewicht bereikt, maar de voldoening waarop ik had gehoopt bleef grotendeels uit.
De problemen in mijn hoofd verdwenen niet samen met het gewicht.
De combinatie van voortdurend bezig zijn met eten, mezelf controleren, sombere klachten, weinig echte ontspanning en steeds maar blijven functioneren heeft waarschijnlijk veel van mijn belastbaarheid gevraagd.
Op het werk begon ik steeds verder vast te lopen
Ook mijn werk kostte steeds meer energie.
Niet per se omdat ik het inhoudelijk niet kon, maar omdat veel dingen onduidelijk waren. Taken waren afhankelijk van anderen, systemen werkten niet zoals ze moesten en ik moest voortdurend schakelen, wachten, opnieuw uitzoeken en zelf structuur aanbrengen waar die ontbrak.
Juist dat kost mij ontzettend veel energie.
Ik had steeds meer moeite om taken te starten, overzicht te houden en helder na te denken. Tegelijkertijd voelde ik me sterk verantwoordelijk om het toch voor elkaar te krijgen.
Om door te gaan.
Om niemand teleur te stellen.
Om niet moeilijk te doen.
Om te bewijzen dat ik het nog aankon.
Ik vroeg uiteindelijk of ik vaker thuis mocht werken. Dat hielp iets, omdat ik minder last had van reizen, geluiden, me ongemakkelijk voelen tussen mensen en alle prikkels op kantoor.
Maar thuiswerken maakte het onderliggende probleem niet weg.
Ook thuis bleef ik moe. Na een hele nacht slapen kon ik ‘s ochtends soms aan mijn bureau mijn ogen niet open houden.
Ook thuis liep ik vast.
Ook daar kostte het steeds meer moeite om aan iets te beginnen en mijn aandacht erbij te houden.
Een simpele vraag of ik mee kon doen aan een hackathon was al teveel.
Normaal gesproken zou ik waarschijnlijk hebben geprobeerd om toch mee te doen. Omdat het van me verwacht werd. Omdat ik bang was dat afzeggen zwak, lastig of onprofessioneel zou overkomen.
Maar dit keer gaf ik aan dat het me niet ging lukken.
Wat ik daarna voelde was vooral opluchting.
Dat was achteraf een belangrijk signaal.
Toch betekende één grens aangeven nog niet dat ik ook kon erkennen dat het geheel niet meer ging.
De mentale strijd om me ziek te melden
Ik dacht al langer aan een burn-out, maar ziekmelden voelde bijna onmogelijk.
Mijn hoofd maakte er meteen een compleet traject van.
Dan moest ik het aan mijn manager vertellen.
Dan zou ik naar de bedrijfsarts moeten.
Dan zou er gesproken worden over re-integratie, moest ik een plan gaan opstellen en bedenken wat ik wel en niet kon.
Dan zouden anderen taken van mij moeten overnemen.
Dan zou ik misschien mensen teleurstellen.
Dan zouden ze misschien denken dat ik me aanstelde.
Ik was niet alleen bang voor het ziekmelden zelf, maar voor alles wat daarna zou komen.
Daardoor bleef ik lang denken dat ik misschien nog even moest volhouden. Dat het vanzelf beter zou worden. Dat ik eerst echt volledig moest instorten voordat ik het recht had om te stoppen.
Alsof ziek zijn pas geldig is wanneer je letterlijk niets meer kunt.
Daar kwam veel schuldgevoel bij kijken.
Ik voelde me verantwoordelijk voor mijn werk, voor collega’s en voor alles wat bleef liggen.
Tegelijkertijd kon ik nauwelijks nog verantwoordelijkheid dragen voor mezelf.
Uiteindelijk heb ik me toch ziekgemeld.
Niet omdat alle twijfel weg was.
Niet omdat ik ineens honderd procent zeker wist wat de precieze oorzaak was.
Maar omdat doorgaan niet meer ging.
Drie weken thuis
Inmiddels zit ik drie weken thuis.
Dat klinkt misschien alsof ik nu vooral rust heb, maar rust voelt nog helemaal niet vanzelfsprekend.
Mijn hoofd blijft zoeken naar wat ik moet doen.
Moet ik herstellen?
Moet ik structuur aanbrengen?
Moet ik gaan wandelen?
Moet ik juist niets doen?
Moet ik contact houden met mijn werk?
Moet ik al nadenken over wanneer ik weer kan beginnen?
Doe ik wel genoeg om beter te worden?
Rust verandert daardoor makkelijk in een nieuwe taak die ik goed moet uitvoeren.
Wanneer ik weinig doe, voelt dat niet automatisch prettig. Soms voelt het alsof ik lui ben, tijd verspil of achteruitga.
Tegelijkertijd merk ik hoe weinig energie ik daadwerkelijk heb.
Sommige dagen bestaat mijn dag uit opstaan, iets eten, met Bennie wandelen, koffie drinken en daarna alweer moeten bijkomen.
Op andere dagen lukt er iets meer. Dan ruim ik wat op, doe ik boodschappen, haak ik of game ik wat, ga ik naar buiten of probeer ik rustig hard te lopen.
Hardlopen helpt me vaak om mijn hoofd wat stiller te krijgen. Vooral rustige duurloopjes, waarbij ik niets hoef te presteren en gewoon mijn eigen tempo kan volgen.
Tijdens het lopen is de food noise vaak een stuk minder. Mijn hoofd krijgt ruimte en ik kan gedachten ordenen zonder dat iedere minuut om eten draait.
Maar ook hardlopen kan weer onderdeel worden van de regels in mijn hoofd.
Heb ik genoeg gegeten om te kunnen lopen?
Moet ik extra koolhydraten nemen?
Heb ik voldoende eiwitten gehad?
Verlies ik spiermassa?
Moet ik morgen rust nemen?
Zelfs iets wat mij helpt, kan daardoor veranderen in iets wat ik moet controleren en analyseren.
Hoe mijn dagen er nu uitzien
Mijn dagen hebben nog geen vast patroon.
Ik probeer naar mijn energie te kijken, maar ik vind het moeilijk om te voelen wat ik nodig heb. Vaak merk ik pas achteraf dat iets te veel was.
Ik probeer mijn dagen klein te houden.
Ik wandel met Bennie.
Ik draag soms een koptelefoon om prikkels te verminderen.
Ik drink koffie en probeer daar bewust van te genieten.
Ik haak, omdat het rustig en voorspelbaar is en mijn handen bezig houdt.
Ik probeer sociale afspraken te beperken wanneer ik merk dat mijn energie laag is.
En ik ben veel bezig met eten.
Nu werk weggevallen is, is er ook meer ruimte waarin ik mijn gedachten over eten opmerk. Misschien waren ze altijd al zo sterk aanwezig, maar werden ze eerder deels overstemd door deadlines, werkdruk en de noodzaak om door te gaan.
Nu hoor ik ze duidelijker.
Op sommige momenten probeer ik bewust onderscheid te maken tussen wat mijn hoofd zegt en wat mijn lichaam aangeeft.
Mijn hoofd kan zeggen:
“Je moet meer eten, anders krijg je te weinig binnen.”
Of:
“Maak het op, je hebt de hele portie toch al gerekend.”
Of:
“Neem het nu, anders blijf je eraan denken.”
Mijn lichaam kan tegelijkertijd aangeven dat het genoeg heeft, dat mijn maag rust nodig heeft of dat eten op dat moment niet prettig voelt.
Dat verschil herkennen lukt nog lang niet altijd.
Maar soms wel.
Dan stop ik met een laatste hap havermout, ook al zegt mijn hoofd dat de kom leeg moet.
Dan eet ik niet alsnog uit angst dat ik te weinig calorieën heb gehad.
Dan probeer ik mijn maag rust te geven in plaats van mijn angst gerust te stellen met eten.
Dat lijken misschien kleine momenten, maar voor mij zijn ze groot.
Stilvallen maakt zichtbaar
Nu ik thuiszit, merk ik pas hoeveel er al langere tijd speelde.
De vermoeidheid.
De overprikkeling.
De somberheid en emotionele vlakheid.
Het gevoel dat ik op automatische piloot leefde.
De moeite om taken te starten.
Het voortdurend aanpassen aan wat anderen nodig hebben.
Het sterke verantwoordelijkheidsgevoel.
De dagelijkse eetgedachten.
Het controleren, twijfelen, compenseren en opnieuw beginnen.
De vraag wie ik eigenlijk ben wanneer ik niet bezig ben met functioneren, presteren, afvallen of mezelf verbeteren.
Er loopt daarnaast onderzoek naar ADHD en mogelijk autisme. Ik weet nog niet precies wat daaruit gaat komen of hoe alle onderdelen met elkaar samenhangen.
Misschien is mijn uitval het gevolg van een burn-out.
Misschien spelen de eetbuistoornis, dysthymie, mogelijke neurodivergentie, werkbelasting en jarenlange overbelasting allemaal een rol.
Waarschijnlijk is er niet één simpele oorzaak.
Wat ik wel weet, is dat mijn belastbaarheid laag is en dat mijn hoofd en lichaam al lang signalen afgeven.
Ik kan die signalen niet langer blijven behandelen als obstakels die ik met meer discipline moet overwinnen.
Rust voelt nog niet als rust
Een van de moeilijkste dingen is accepteren dat rust geen beloning is.
Ik hoef niet eerst iets nuttigs te doen om te mogen zitten.
Ik hoef niet eerst een taak af te maken om te mogen stoppen.
Ik hoef niet eerst volledig kapot te zijn voordat ik mijn grens serieus mag nemen.
Dat begrijp ik rationeel.
Maar voelen is iets anders.
Drie weken thuis heeft mijn schuldgevoel nog niet opgelost. Het heeft mijn food noise niet stilgemaakt. Het heeft mijn sombere klachten niet ineens laten verdwijnen en ik voel me niet plotseling hersteld.
Soms twijfel ik nog steeds of ik wel echt ziek genoeg ben.
Op zulke momenten probeer ik mezelf eraan te herinneren dat schuldgevoel niet betekent dat ik een verkeerde keuze heb gemaakt.
De opluchting die ik voelde toen ik grenzen aangaf, was informatie.
De uitputting was informatie.
Het vastlopen was informatie.
De voortdurende mentale strijd rond eten was ook informatie.
Ik ben niet gewoon even vrij
Van buitenaf lijkt thuiszitten misschien rustig.
Geen werk.
Geen deadlines.
Geen reistijd.
Maar van binnen gebeurt er veel.
Ik probeer te begrijpen hoe ik hier ben gekomen.
Ik probeer te ontdekken wat mijn lichaam en brein nodig hebben.
Ik probeer te leren leven met de wetenschap dat ik een eetbuistoornis en een persisterende depressieve stoornis heb, zonder die diagnoses als bewijs te zien dat ik gefaald heb.
Ik probeer niet meteen van herstel een nieuw project te maken waarin ik opnieuw alles perfect moet uitvoeren.
En ik probeer langzaam te accepteren dat ik niet thuiszit omdat ik lui ben of heb opgegeven.
Ik zit thuis omdat ik te lang ben doorgegaan terwijl een groot deel van mijn mentale energie al jarenlang werd opgeslokt door eten, somberheid, controle, aanpassing en verantwoordelijkheid.
Misschien is dit niet alleen een periode waarin ik moet herstellen zodat ik daarna weer precies hetzelfde kan doen.
Misschien is dit ook een moment waarop ik moet onderzoeken of de manier waarop ik leefde en werkte eigenlijk wel duurzaam voor mij was.
Daar heb ik nog geen antwoord op.
Voorlopig begint het met iets wat eenvoudiger klinkt dan het is:
thuis zijn, stoppen met vechten tegen het feit dat ik rust nodig heb en proberen te luisteren naar wat er al heel lang om aandacht vraagt.

